- Druk een taak af op de Ascent.
- Houd de taak lang ingedrukt en de waarden voor snelheid en vermogen verschijnen.
- Klik nogmaals op de opdracht en de vakjes ‘Snelheid’ en ‘Vermogen’ verschijnen onderaan het scherm.
- Selecteer degene die je wilt wijzigen, dan verschijnt er onderaan het scherm een nieuw dialoogvenster.
- Wis het getal in het vakje en voer vervolgens de nieuwe waarde(n) in.
- Klik op het pictogram ‘Opslaan’ om de wijziging op te slaan. Als je dit scherm verlaat zonder op het pictogram ‘Opslaan’ te klikken, worden je wijzigingen niet opgeslagen.
Snelheid
Dit pictogram geeft de snelheidsinstellingen van de geselecteerde taak aan. Het loopt van 1 tot 100%.
Vermogen
Dit pictogram geeft de vermogensinstellingen van de geselecteerde taak aan. Het loopt van 1 tot 100%.
Frequentie
Dit pictogram geeft de frequentie-instellingen van de geselecteerde taak aan. Het loopt van 1 tot 100%.
Knop 'Verwijderen'
Met de knop ‘Verwijderen’ verwijder je opdrachten definitief uit het opdrachtenmenu. Om een opdracht te verwijderen, selecteer je de opdracht in het opdrachtenmenu en klik je vervolgens op de knop ‘Verwijderen’. Er verschijnt dan een dialoogvenster waarin je moet bevestigen dat je het bestand wilt verwijderen. Kies ‘Ja’ en het bestand wordt uit het opdrachtenmenu verwijderd.
Handige tip:
Als je een taak als ‘Opgeslagen’ hebt gemarkeerd en het bestand verwijdert, wordt het toch uit het takenmenu verwijderd.